2005 Warkumerbûtenwaard

Eind mei 2004 hebben een aantal leden van Zanglust een bezoek gebracht aan de Warkumerbûtenwaard. Onder leiding van een gids van It Fryske Gea werd er een bezoek gebracht aan dit unieke natuurgebied. Aan de rand van het gebied zaten duizenden meeuwachtigen te broeden. De eieren stonden op uitkomen of waren net uitgekomen. Op elke vierkante meter werd wel een nest gevonden. Voorzichtig lopen, was het credo. Op de terugweg liepen we door een weidegebied, waar we de nesten en jongen van grutto’s, wulpen, kieviten, meerkoeten en scholeksters tegen kwamen. Een schitterende morgen hebben we gehad in het mooiste weidevogelgebied van Friesland.

Onderstaande tekst is overgenomen van It Fryske Gea.

Warkumerbûtenwaard

In vogelvlucht
Het grootste deel van deze voormalige kwelder is in cultuur gebracht, maar toch heeft het gebied zijn open en weidse karakter behouden. Het meest natuurlijke deel vinden we langs de buitenrand, de Warkumerbûtenwaard.
Hier liggen schelpenbanken met grote kolonies van Visdief en Kokmeeuw, en natuurlijke graslanden met deels nog een zilte flora en grote aantallen weidevogels. In alle seizoenen zijn hier veel, en veel verschillende soorten vogels te zien.

Geschiedenis
Voor de afsluiting van de Zuiderzee lag voor de dijk bij Workum een grote kwelder, in tweeën gesneden door een diepe noordzuid lopende geul. Ten Oosten van deze geul, de Vlieter, was de bodem kleiachtig (het groene strand); ten westen zandig. Het groene strand was grotendeels begroeid en op het westelijke deel ontstonden zandruggen. Na de afsluiting viel ook de zandbank definitief droog (het gele strand). In 1934 werd begonnen met de aanleg van de zomerkade. Voor de benodigde grond werd de ‘soldatengracht’ gegraven (het werk kwam pas in 1943 klaar). Zo ontstonden de binnenwaard en de buitenwaard. De binnenwaard werd in cultuur gebracht en grotendeels als grasland gebruikt. De buitenwaard bleef onder invloed van het IJsselmeerwater. Het werd een belangrijk vogelgebied en er ontwikkelde zich een belangwekkende flora. Vanaf 1958 berust het natuurbeheer van de buitenwaard bij It Fryske Gea.

Rijk vogelgebied
Langs het IJsselmeer ligt een zevental schelpenbanken met daartussen periodiek droogvallende ondiepten. Onder andere door ijsgang blijven de schelpenbanken in het voorjaar vrij van begroeiing, waardoor de broedkolonies zich hier kunnen handhaven. Langs de banken ontwikkelt zich in de zomer een vegetatie van hoogopgaande kruiden, waaronder Heen of Zeebies, Hang wilgenroosje, Grote- en Kleine watereppe, en op sommige plaatsen grote zuring soorten, vooral Krulzuring en Kluwenzuring. Tussen deze beide soorten zijn hier steeds boeiende, steriele bastaarden aan te treffen. Als er wat slikkige randjes zijn vrijgekomen groeit daar vaak Moerasandijvie. Een bijzonderheid voor Fryslân is het Groot moerasscherm dat hier in de rietrandjes groeit, vaak samen met de Witte waterkers. Ook Selderij komt hier als wilde plant voor. Grote oppervlakten achter de schelpenbanken bestaan uit nat, onbemest grasland, met in het vroege voorjaar Moeraspaardebloem. Later in het jaar vindt men er Aardbeiklaver, Fraai duizendguldenkruid, Zilte zegge, Moeraszoutgras, Waterpunge en Zilt torkruid. In de plasjes in dit terrein groeien veel Lidrus, Naaldwaterbies, Zilte waterranonkel, Rode waterereprijs en Zannichellia. Er zijn nog enkele plekken met een zilte vegetatie (zelfs in de binnenwaard) waar Hertshoornweegbree, Zee weegbree en Melkkruid het volhouden. De vogelbevolking van de Warkumerbûten- waard is in alle jaargetijden zeer rijk. Op de schelpenbanken broeden vooral visdiefjes en kokmeeuwen. De kolonie visdiefjes van gemiddeld omstreeks 1.500 broedparen, is momenteel één van de grootste van Nederland. Ook het aantal kokmeeuwen loopt in de duizenden. Verder broeden hier Kluut, Bontbekplevier en de oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied afkomstige Geelpootmeeuw. Wat de weidevogels betreft is vooral het broeden van de kritische soorten Tureluur en Kemphaan van belang.

Buiten de broedtijd zijn er op de buiten waard steeds veel steltlopers aanwezig: grutto’s, wulpen, kemphanen en goud plevieren. Soms zijn ze er in grote groepen overigens ook op de binnenwaard – waar ze vanaf de weg heel goed zijn waar te nemen. Groenpootruiters, Zwarte ruiters, watersnippen en oeverlopers Zijn er in kleinere aantallen. Heel bijzonder is de aanwezigheid van tientallen reuzensterns in augustus. En dan zijn er de eenden, vooral grote aantallen smienten, en ganzen als Brandgans, Kolgans en Grauwe gans, die hier een groot deel van de winter voedsel zoeken. Ook de Roodhals gans wordt bijna elke winter gezien. De ganzen grazen veelal op de binnenwaard of dieper in het binnenland, maar drinken, rusten en overnachten meestal op het ondiepe water ter hoogte van Gaast. Prachtig zijn de imposante vluchten van de grote groepen ganzen naar de slaap- of foerageerplaatsen.

Beheer
In het voorjaar worden op de buitenwaard pinken en later paarden ingeschaard. De schelpenbanken worden ter bescherming van de vogelkolonies uitgerasterd. De binnenwaard is grotendeels aangewezen als relatienotagebied, waardoor voor het agrarisch gebruik beperkingen gelden ten gunste van de weidevogels. In 1995 is het oog op de natuurontwikkeling aan de zuidzijde een stenen dam aangelegd, die de in 1997 achter de dam opgespoten zand plaat beschermt. Ten behoeve van het ringonderzoek worden op de uitgestrekte binnenwaard op traditionele wijze – met een ‘wilsterspul – goudplevieren en soms rosse grutto’s gevangen. Eveneens met oog op de natuurontwikkeling is voor de kust aan de zuidkant van de Warkumerbûtenwaard een aantal zand- platen aangelegd. Hier is een uitzichtpunt ingericht van waaruit veel van de broed vogels en pleisterende vogels kunnen worden geobserveerd.

Uit: Ontdek de Friese natuur (Untdek de Fryske natoer), Olterterp 1999

 

Share Button